De afdeling Industriële Vormgeving kende aan het einde van de jaren zeventig een onstuimige groei. De sfeer onder de hoofdzakelijk jonge staf was ronduit dynamisch, waarbij een ideologische strijd om de beginselen van het ontwerpen werd gevoerd. Veel medewerkers wilden een opleiding die zich op de commerciële ontwerppraktijk richtte. Anderen propageerden een ontwerper die met behulp van moderne technologie bij zou dragen aan een betere samenleving. Er waren ook groepen studenten die zich soms regelrecht afkeerden van zowel hightech als bijdragen aan de consumptiemaatschappij. Vaak deden zij hun afstudeeropdrachten liever niet in het commerciële bedrijfsleven maar bij staatsbedrijven als PTT en Nederlandse Spoorwegen, al begon die afwijzende houding in de loop van de jaren tachtig wel te veranderen.

Ontwerpen voor staatsbedrijven of commerciële bedrijven?

Afstudeerproject van Frans Joziasse, treinkop SM90, 1986

De verschillende opvattingen over het ontwerpen stonden een verdere professionalisering van de opleiding niet in de weg. In 1978 voerde Industriële Vormgeving een definitieve vierdeling in de organisatie door. Al langer waren Techniek (het latere Konstruktie), Productergonomie, Vormgeving en Bedrijfskunde de vakgroepen die “staan voor de specialismen die nodig zijn om tot een industrieel product te komen”. Gerard van Eijk werd de eerste hoogleraar Bedrijfskunde bij Industriële Vormgeving. De forse omvang en het groeiende aanzien van de opleiding werden weerspiegeld in de benoeming van professor Hans Dirken tot rector magnificus van de Technische Hogeschool. De groei was zichtbaar in de huisvesting. De faculteit verhuisde in 1978 naar een gebouw aan de Jaffalaan, terwijl aan de Drebbelweg een paar grote tekenzalen van Scheepsbouw geschikt werden gemaakt voor ontwerp- en vormstudiebegeleiding.

De vormstudiestaf vermoedelijk tijdens een bezoek aan het vakantiehuisje van Emile Truijen eind jaren 70

Met de ontwikkeling van verschillende richtingen groeide de aandacht voor een stevige wetenschappelijke bestudering van het ontwerpen. De leidende opvatting over ontwerpen was begrijpelijkerwijs voortgekomen uit de ingenieursanalyse, aangevuld met kennis uit verschillende domeinen. De wetenschappelijke belangstelling binnen de faculteit ontwikkelde zich echter veelal vanuit de menswetenschappen. Zo werd in de ontwerpmethodologie bijvoorbeeld getracht op een modelmatige manier het specifieke denken en handelen van de ontwerper te vatten. De richting zou in de jaren tachtig flink groeien en met wetenschappers als Nigel Cross en Norbert Roozenburg en Willem Muller voor internationale bekendheid van de integrale wetenschappelijke ontwerpopleiding in Delft zorgen.

De wetenschappelijke ontwikkeling betekende niet dat de praktijk van het ontwerpen naar de achtergrond verdween. Veel meer dan bij de andere Delftse opleidingen studeerden de meeste jonge ingenieurs af bij een bedrijf of instelling.

De faculteit rekruteerde nogal wat docenten van bedrijven als Philips en Van Berkel, bijvoorbeeld Wim Groeneboom en Aat Marinissen. Zij had in deze periode ook een aantal prominente vertegenwoordigers uit de praktijk in haar midden. Ootje Oxenaar was bekend van de wereldberoemde ontwerpen voor het Nederlandse papiergeld en werd in 1978 buitengewoon hoogleraar Visuele Overdracht en Presentatie, terwijl grafisch ontwerper Wim Crouwel in 1980 benoemd werd tot hoogleraar Industriële Vormgeving.

Ootje Oxenaar achter zijn bureau en Wim Crouwel tijdens het college geven aan de Oude Delft ca. 1979